Met de zilveren 2 Mark uit het Duitse Keizerrijk (Deutsches Kaiserreich, 1876–1918) maken we een diepe duik in een van de meest fascinerende en historisch diverse periodes van de Europese numismatiek. Na de Duitse eenwording in 1871 onder keizer Wilhelm I en kanselier Otto von Bismarck werd de Mark ingevoerd als de nieuwe, uniforme munteenheid. Terwijl de munten van 1 Mark en kleiner een federaal, uniform ontwerp kregen, kregen de afzonderlijke vorstendommen en vrije steden de soevereine vrijheid om hun eigen vorsten en stadswapens af te beelden op de grotere zilverstukken van 2, 3 en 5 Mark. Dit maakt de 2 Mark-reeks tot een adembenemende historische reis, waarin solide edelmetaal verweven is met koninklijke pracht.
Gedurende de gehele bestaansperiode van het Keizerrijk hielden alle munthuizen zich aan een strikte, bij wet vastgelegde rijksstandaard. Of een munt nu werd geslagen in Pruisen, Beieren of Hamburg; de fysische afmetingen en de materiaalzuiverheid bleven onwrikbaar identiek. Mocht een exemplaar zwaar versleten of beschadigd zijn, dan vormt de zilvermassa een gegarandeerde, harde prijsbodem op de wereldmarkt.
| Fysische Parameter | Exacte Waarde en Samenstelling | Impact op de Grondstofwaarde |
|---|---|---|
| Materiaal & Fijnheid | Zilver (900/1000) | Uitzonderlijk hoog, traditioneel gehalte van exact 90 procent puur zilver. |
| Totaalgewicht | 11,111 gram bruto | Gestandaardiseerde, historische rijksmassa die solide in de hand ligt. |
| Netto Zilvergewicht | 10,00 gram fijnzilver | De ultieme droom voor beleggers: exact 10 gram puur fijnzilver per munt! |
| Diameter | 28,0 mm | Perfect formaat waarop de gedetailleerde vorstenportretten prachtig tot recht komen. |
Het Duitse Keizerrijk bestond uit 26 zogenaamde Bundesstaaten (koninkrijken, groothertogdommen, hertogdommen, vorstendommen en vrije steden). Omdat de oplages direct gekoppeld waren aan het inwoneraantal en de economische status van elk gebied, vallen deze munten numismatisch uiteen in spectaculaire zeldzaamheidscategorieën.
Als veruit de grootste en machtigste staat binnen het keizerrijk nam Pruisen het leeuwendeel van de muntproductie voor haar rekening. De munten tonen de opeenvolgende keizers Wilhelm I (tot 1888), de tragische "99-dagen keizer" Friedrich III (1888) en de laatste keizer Wilhelm II (1888–1918).
Waarde: Geciruleerde exemplaren uit Pruisen dragen door de miljoenenoplages nauwelijks een numismatische premie en wisselen dicht bij de zilverwaarde van eigenaar. Alleen in onberispelijke FDC-staat (Stempelglanz) stijgen ze door naar € 40,00 tot € 80,00. Een uitzondering vormt het felbegeerde 'Driekeizerjaar' 1888.
Munten uit Beieren (met o.a. Otto of Luitpold), Saksen (o.a. Albert, Georg, Friedrich August III) en Württemberg (Karl, Wilhelm II) hebben aanzienlijk lagere oplages dan de Pruisische stukken. In een mooie verzamelkwaliteit (Prachtig) brengen deze munten al snel € 30,00 tot € 75,00 op, met uitschieters naar honderden euro's in absolute nieuwstaat.
De absolute topstukken en de reden waarom verzamelaars deze serie verafgoden, zijn de uitgiften van de kleinste vorstendommen (zoals Reuß, Schaumburg-Lippe, Waldeck-Pyrmont of de groothertogdommen Mecklenburg-Strelitz en Oldenburg). Omdat de oplages hier soms slechts enkele duizenden stuks bedroegen, zijn deze munten extreem zeldzaam.
Waarde: Een 2 Mark uit een dergelijke dwergstaat brengt in een eerlijke, onbehandelde staat al snel € 250,00 tot € 1.500,00+ op. Ook de schaarse herdenkingsuitgiften (zoals de 'Gouden Bruiloft' van Beieren uit 1912 of Sachsen-Weimar 1903) dragen stevige marktpremies.
Bij de 2 Mark-munten openbaart omloopslijtage zich als allereerste op de hoogst gelegen delen van de muntzijde. Bekijk de voorzijde (de vorstenkant) kritisch met een loep: de haren rondom het oor en de details van de baard of snor zijn de eerste indicatoren. De belangrijkste test vindt echter plaats op de keerzijde (de uniforme rijkszijde met de adelaar). Er zijn twee hoofdtypen adelaars geslagen: de Kleine Adelaar (1876–1889) en de Grote Adelaar (1891–1918). Inspecteer het kleine borstschild op de adelaar (het Pruisische schild). Als de contouren van dit centrale schildje en de omliggende keten van de Orde van de Zwarte Adelaar zijn afgevlakt tot één glad vlak, betreft het een reguliere bullion-munt.