Met de zilveren 5 Francs-munt van Koning Leopold I uit de periode 1835–1849 stappen we in het tijdperk van monetaire rijping en economische bloei van het jonge Koninkrijk België. Na de uiterst schaarse opstartjaren met de laureaatkop, besloot de regering in 1835 het muntontwerp te moderniseren. Dit resulteerde in het iconische 'Tweede Portret', ook wel bekend als het type met de 'Blote Kop' (Tête nue). Dit zware zilverstuk vormde decennialang het trotse vlaggenschip van het Belgische betalingsverkeer tijdens de industriële revolutie. Voor zowel strategische edelmetaalbeleggers als numismatici biedt deze langlopende reeks een schitterende kans om fysiek vermogen te koppelen aan de fascinerende negentiende-eeuwse geschiedenis.
Als stabiele factor in de West-Europese handel hanteerde de Brusselse munt (onder leiding van graveur Joseph-Pierre Braemt) de strenge, internationaal geaccepteerde gewichtsstandaard van de latere Latijnse Muntunie. Dit betekent dat de munt exact dezelfde edelmetaalkern bezit als haar Franse en Italiaanse buren, wat zorgt voor een hoge wereldwijde liquiditeit.
| Fysische Parameter | Exacte Waarde en Samenstelling | Impact op de Grondstofwaarde |
|---|---|---|
| Materiaal & Fijnheid | Zilver (900/1000) | Traditioneel, hooggehalte muntzilver bestaande uit 90 procent puur edelmetaal. |
| Totaalgewicht | 25,00 gram bruto | Een massieve, brede munt die direct een bevredigend en solide historisch gewicht in de hand legt. |
| Netto Zilvergewicht | 22,50 gram fijnzilver | De keiharde, objectieve rekenspilaar voor beleggers: exact 22,50 gram puur fijnzilver! |
| Diameter | 37,0 mm | Monumentaal groot formaat waarop het koninklijke profiel prachtig tot recht komt. |
De periode 1835–1849 is een van de langstlopende subreeksen onder Leopold I. De voorzijde toont het portret van de koning naar links zonder krans, met de tekst "LEOPOLD PREMIER ROI DES BELGES". De achterzijde toont de nominale waarde "5 FRANCS" binnen een krans van eikenbladeren. De waardeontwikkeling op de markt kent binnen deze periode enorme contrasten:
De jaargangen 1844, 1847, 1848 en 1849 kennen de hoogste productie-aantallen. Omdat deze munten destijds massaal zijn geslagen om de groeiende Belgische economie te faciliteren, zijn ze het gemakkelijkst te vinden. In een normale, gecirculeerde staat (Fraai tot Zeer Fraai) dragen ze een milde verzamelpremie bovenop de zilverprijs en vormen ze een fantastisch, karaktervol alternatief voor moderne beleggingsmunten.
Als u deze reeks verzamelt, moet u extreem scherp letten op de vroege jaren '30 en vroege jaren '40. Jaargangen zoals 1835, 1837, 1838 en de uiterst schaarse 1840 kennen beduidend lagere oplages. Omdat het leeuwendeel hiervan destijds intensief is versleten in het dagelijkse betalingsverkeer, stijgt de marktwaarde van deze specifieke jaren in een mooie verzamelkwaliteit direct richting honderden euro's.
Bij deze 'Blote Kop'-reeks van Leopold I openbaart omloopslijtage zich als allereerste op de hoogst gelegen delen van het ontwerp. Bekijk de voorzijde kritisch met een loep: de fijne haarlokken boven het oor, de slapen en de kaaklijn zijn de eerste indicatoren. Als het haar is afgevlakt tot één egale, gladde massa, betreft het een zwaar gecirculeerd stuk.
Op de achterzijde (de kranszijde) dient u scherp te letten op de fijne nerven van de eikenbladeren en de strik waarmee de krans aan de onderzijde is samengebonden. Vergeet bovendien niet de dikke rand te inspecteer; hier staat in diepliggend reliëf de leus "DIEU PROTEGE LA BELGIQUE" (God beschermt België) ingeslagen.